Pech onderweg

De voorbije weken op vakantie geweest: met de mobilhome naar Avignon en de Mont Ventoux. Het was iets meer dan een jaar geleden dat we nog in de Provence waren – toen voor en short-bike waarbij vanuit Sault de Mont Ventoux bedwongen werd.
Maar laat ik bij het begin beginnen. In Avignon dus, waar in juli het befaamde theaterfestival loopt, wat zorgt voor leven in de historische binnenstad: trosjes acteurs die op terrassen publiek ronselen, straatartiesten, muzikanten, duizenden affiches tegen lantaarn- en andere palen etc…
Leuk, een beetje
Gentse Feesten-sfeer, zeker de eerste nacht toen we op het Ile de Barthelasse de mobilhome Camping Bagatelle
binnenreden en waar ook tal van voormelde artiesten blijkbaar hun
tenten hadden opgeslagen. Bagatelle is een drukke camping: de
staanplaatsen zijn niet bepaald ruim bemeten zodat je al snel bij de
buren op de schoot lijkt te zitten. Bovendien staat het er vol
met gigantische platanen. Die zorgen ervoor dat het ’s avonds al
vanaf een uur of acht begint te schemeren, en maken, als de
mistral door de bladeren ruist, onverwacht veel kabaal – alsof er een
storm of een onweer in aantocht is.
Nee, dan liever de Camping Pont d’Avignon
die een paar honderd meter verder ligt: iets duurder, maar wel een pak
rustiger en flink wat meer ademruimte. De naam van de camping verwijst
niet alleen naar de beroemde brug die recht tegenover de camping in de
Rhone ligt te pronken: lang geleden, toen de brug nog echt van oever
naar oever ging, liep ze dwars door het domein dat nu de camping is.
Vreemd genoeg wordt daar nergens melding van gemaakt, dat de brug
vroeger liep waar nu enkele tennisvelden liggen, zie je eigenlijk ook
pas als je aan de overkant, boven in Avignon vanuit het Palais
des Papes naar het Ile de Barthelasse kijkt. Het zegt misschien iets
over de nonchalante manier waarop ze in Frankrijk met hun erfgoed
omgaan.
Ook de historische binnenstad leed daar een beetje onder. In de
vele smalle straatjes die erom vragen om verkeersvrij te worden
gemaakt, heerst in Avignon jammer genoeg koning Auto. Te voet, en zoals
in ons geval, voorzien van een kinderwagen, de stad doorkruisen is dan
niet meteen een plezier. Stoepen zijn zo smal dat je d’r niet op kan
rijden, doorheen de straten razen heel de tijd auto’s, doorgaans
toeristen op zoek naar een parkeerplaats. Zeker omdat je voor je de
stad binnenkan nog een vierbaansringweg moet oversteken is het echt
zoeken naar een plaatsje waar je even tot rust kan komen. Je
vindt het uiteindelijk wel, zo’n terrasje waar je even buiten de
uitlaatgassen kan zitten, op twee straten van het Palais des Papes
zelfs, maar het blijft toch een beetje jammer om niet te zeggen vreemd.
En terwijl we overdag doorheen de stad kuierden en veel te dure ijsjes
bestelden (?2 per bol! twee euro per BOL! TWEE EURO! da’s vier euro
voor een hoorntje met twee bollen, acht euro als je d’r allebei een
pakt. ACHT EURO!), vatte ik ’s avonds de training aan voor nog maar ’s
beklimming van de Mont Ventoux. Aan de andere kant van de Rhone, nog
achter Villeneuve-Les-Avignon richting Les Angles liggen een paar
pittige hellingen: de Mont?e du Bonbonnier! De Mont?e du Valadas! De Rue Fr?deric Mistral! Te vergelijken met het soort hellingen dat je in de Ronde Van Vlaanderen
voorgeschoteld krijgt. Een paar honderd meter lang en met daarin hele
steile stukken van 13, 14, 15 %. Eigenlijk niet echt geschikt als
voorbereiding voor de Ventoux, want daar klim je misschien niet zo steil (max 11%), maar wel 21 km aan een stuk.
Afijn, vrijdag 22 juli vertrokken we naar Malaucene (Camping Le Bosquet,
aanrader en eindelijk terug een wc met een wc-bril!) en zaterdagochtend
vatte ik de klim aan. Vanuit Malaucene krijg je meteen al flink wat
hoogtemeters te verteren. De meningen zijn verdeeld of hij
minder/even/nog zwaarder is dan de beklimming vanuit Bedoin – ik vond
het alvast flink de moeite en halverwege ben ik even gestopt. De
voorbereiding was ook niet ideaal, niet alleen omdat ik te weinig
getraind had, maar ik had bijvoorbeeld geen tabelletje met de
stijgingspercentages mee, zodat ik niet wist wat ik nog mocht
verwachten.
Uiteindelijk in 2u35 naar boven gereden, da’s minder dan
10km/u, zodat het al een prestatie mag heten dat ik onderweg niet omver
ben gevallen, het was iets sneller dan bergop surplacen, maar veel
scheelde het soms niet. Gelukkig waren er vrouw en kind die me met de
mobilhome achterna waren gereden en me om de paar kilometer harten
onder de riem staken.
En zo komen we eindelijk toe aan wat uitleg bij
de titel boven dit stukje. Want eens de top gehaald besloot ik maar met
de wagen mee naar beneden te rijden, afdalen daar is tenslotte niks
aan, en zoveel vertrouwen heb ik nu ook weer niet in mijn fiets dat ik
me er tegen 60-70 km/u naar beneden mee zie rijden. Je zal maar een
klapband krijgen tegen zo’n vaart. Nee, dan was het beter rustig mee
naar beneden hobbelen in de mobilhome, langs de kant van Bedoin, om te
verkennen voor de volgende dag.
Met Mieke aan het stuur die netjes,
zoals het hoort probeerde te remmen op de motor, maar daarbij blijkbaar
iets te kwistig de koppeling
gebruikte. Ter hoogte van het gedenkteken voor Tom Simpson roken we al
iets aangebrands, maar dachten we nog dat het pas vernieuwde
asfalt van de weg was, dat tenslotte lag te blakeren in de genadeloze
middagzon. Even voorbij Chalet Reynard wisten we dat het niet het
asfalt was geweest maar de schijven van onze koppeling: die had het
helemaal begeven, en gelukkig was Mieke zo koelbloedig om in een min of
meer vlak stuk van de afdaling de mobilhome aan de kant te zetten,
handrem op. Oef!
Europ Assistance gebeld en twee uur later verscheen
een depanneur die onze mobilhome op zijn truck takelde, waarna wij, in
de mobilhome (heel vreemde ervaring!), naar de Fiat-garage van Carpentras
werden afgevoerd. Daar konden ze ons echter niet voorthelpen:
zaterdagavond en alle mecaniciens waren al weg, en zouden pas
maandagochtend terugkomen. Daar stonden we nu: overnachten in de
mobilhome aan een rond punt in een industriezone zou in theorie wel
kunnen, maar bleek in de praktijk, met een baby erbij niet iets om naar
uit te kijken.
Gelukkig werd het een serendipistisch
weekend, want twee straten verder bleek een chambre d’h?tes te zijn
waar we zo allerhartelijkst ontvangen werden dat we er nog altijd niet
goed van zijn. G?rald & Karine hebben iets buiten Carpentras een
oude boerderij omgetoverd tot een uiterst gezellige chambre d’hotes: Les Buissonnades.
De kamers werden dit voorjaar vernieuwd en het is er allemaal heel
verzorgd, maar het is vooral de manier waarop de gastheer &
gastvrouw met hun gasten omgaan die niet meer van deze wereld is.
’s
Avonds haalde G?rald de gitaar boven en zong hij slaapliedjes voor
Belle, de tweede nacht was hun chambre d’h?tes eigenlijk volgeboekt,
maar maakten ze hun eigen slaapkamer voor ons vrij, zondagnacht haalde
G?rald zijn telescoop boven en hebben we uren naar de sterren gekeken
(en Jupiter gezien en zitten filosoferen over kernfusie), ’s maandags
kreeg ik van G?rald een lift helemaal naar Malaucene, waar ik de
camping nog moest gaan afrekenen etc… Wie ooit in de buurt van
Carpentras op zoek is naar een goede bed & breakfast (al kan je d’r
ook delicieus avondeten bestellen) weet waar hij moet zijn: bij Les Buissonnades
aan de Chemin de Saint-Gens in Carpentras! En doe ze zeker onze
groeten. Deze winter willen ze er bovendien nog een klein zwembad
aanleggen, dus pak zeker uw zwembroek mee. Ik was na twee dagen bijna
blij dat we in panne waren gevallen: anders hadden we die mooie mensen
immers niet ontmoet.
Het moet gezegd: ondertussen waren er bij Europ
Assistance ook een paar call-centermensen goed bezig: omdat de
herstelling minstens een week ging duren, kregen we via hen een
Hertz-wagen aangeboden, waarmee we dan maandagmiddag mee terug naar
Belgie zijn vertrokken. ’s Nachts nog overnacht in het bijzonder schmutzige Isardrome-motel
naast de A7, een kleine 40km voor Lyon,. In en goed hotel sta je d’r
niet bij stil dat er de nacht voordien iemand anders in je bed heeft
gelegen. Bij de Isardrome was het zo groezelig, dat je alleen maar
d??raan kon denken. Yuk!
Het contrast met Les Buissonnades kon niet
groter zijn. Al was het ook niet helemaal kommer en kwel: na twee weken
konden we nog ’s tv kijken en zeker toen we op een Franse versie van
Spel Zonder Grenzen stootten met daarin een spelronde waarbij spelers
van de twee teams verkleed waren als prei en het moesten opnemen tegen
een echte stier, werd het toch nog leuk.
Eind goed al goed!





reacties