Economische vrijheid
The Heritage Foundation, wat De Standaard omschrijft als een Amerikaanse conservatieve denktank, publiceerde haar Index of Economic Freedom. België zakt in die rangschikking van de 17e naar de 20ste plaats. Dat is goed nieuws. In haar even knappe als heldere boek ‘De Shockdoctrine, de opkomst van het rampenkapitalisme’ toont Naomi Klein immers aan dat rampenkapitalisme bij uitstek gedijt in ‘vrije economische markten’.
Ze begint haar verhaal in de jaren zeventig en beschrijft hoe in het Chili van Pinochet bij diens staatsgreep een compleet ‘vrije economische markt’ gecreëerd werd. Dat leidde tot het verdwijnen van de democratie, de mensenrechten werden de facto afgeschaft en het sociale bestel stortte helemaal in. De enigen die van de shock van de machtsovername en het bijhorende openstellen van de markt profiteerden waren de rampenkapitalisten. Terwijl een kleine groep fenomenale winsten maakte, ging het merendeel van de bevolking er dramatisch op achteruit. Inspirator voor die ‘economische revolutie’ was de ‘Chicago School’ van de in 2006 overleden econoom Milton Friedman, die door de Heritage Foundation trouwens als de vader van ‘economische vrijheid’ omschreven wordt.
Chili was slechts het begin. Overal waar Miltons ideeën de voorbije decennia in de praktijk werden gebracht, ging dat gepaard met desastreuze gevolgen voor democratie, mensenrechten en sociale welvaart. In Chili kende begin jaren zeventig onder Salvador Allende een werkloosheidsgraad van 3 procent, begin jaren tachtig. Na tien jaar Pinochet en opgedrongen en gedwongen ‘economische vrijheid’ was dat opgelopen tot 30 procent. In 1988 leefde 45 procent van de Chilenen onder de armoedegrens, maar had de rijkste 10 procent van het land haar inkomen met 83 procent zien toenemen.
De vrije markt die Friedman voor ogen had leidde in de praktijk niet tot een kapitalistische staat met een bevrijde markt, maar tot een corporatistische staat. Het corporatisme dat in Chili ontwikkeld werd, bestond uit een doorgedreven politiestaat en grote ondernemingen die mekaar wederzijds steunden in een oorlog tegen een derde partij: de arbeiders, zeg maar de bevolking van het land. De grote contracten die de bedrijven binnenhaalden, werden (en worden) immers volledig gefinancieerd met overheidsgeld. Met vrije markt heeft dat nauwelijks iets te maken.
Hetzelfde fenomeen dook later wereldwijd op: in andere Zuid-Amerikaanse landen, in het Oostblok toen de muur viel, in Azië en recent na de Amerikaanse inval in Irak. Telkens was één of andere shock (staatsgreep, natuurramp, oorlog) de aanleiding om in het kader van heropbouw het overheidsapparaat drastisch af te slanken en de markten open te gooien. De grote wederopbouwcontracten gingen nooit naar lokale ondernemingen gingen, maar naar grote multinationals. De vrije markt creëerde nooit welstand voor de bevolking, maar schepte een klimaat waarin corruptie en fraude de norm werden.
De grote buitenlandse bedrijven leverden bovendien steevast slecht werk met betrekking tot de wederopbouw, maar gingen wel met de winsten lopen zodat de bevolking gedupeerd achterbleef.
België scoort trouwens goed als het op handelsvrijheid aankomt: we staan eerste met 93.7 procent. In ons land kan je heel snel een zaak opstarten, in vier dagen, het gemiddelde is 43 dagen. Dat we zakken komt vooral door de hoge belastingen (44.9 procent van het BBP) en dito overheidsuitgaven (52.3 procent van het BBP). Dat we voor al die belastingen heel wat in ruil krijgen (quasi gratis gezondheidszorg, bestaanszekerheid, etcetera) maakt net dat ons land tot de welvarendste ter wereld behoort. Dat onze belastinggelden niet altijd even goed besteed worden, dat klopt ook, maar we leven tenminste in een systeem waar dat democratisch ter discussie gesteld kan worden.
Zakken op de ranglijst van de Heritage Foundation is dus een goede zaak voor een democratische, sociale samenleving.





reacties